Evangelieprikje 2014

Een van de verworvenheden van onze huidige Belgische samenleving is het bestaan van vakorganisaties, ook al zijn er waarschijnlijk wel mensen die het liever niet zouden hebben. Mocht er een werkgever zijn die de parabel van Jezus in praktijk omzet, dan mag hij vandaag gegarandeerd rekenen op verzet van de vakbond. Niet dat ik een werkgever bereid zie om iemand een dagloon te geven als hij maar één uur gewerkt heeft. Laten we daarom het eerste zinnetje niet vergeten. Jezus wil geen lessen in economie geven, wel wil Hij iets zeggen over het Rijk Gods. Naarmate het verhaal loopt en zeker op het einde blijkt duidelijk dat men in het Rijk Gods niet volgens economische principes werkt. Het feit dat de toehoorders toen en nu er aanstoot aan nemen, toont dus in eerste instantie hoe economisch ons denken geworden is. Ons rechtvaardigheidsgevoel sluit nog altijd nauw aan bij “ voor wat, hoort wat”. Maar als het in het Rijk Gods over liefde gaat, moeten we ons afvragen of we ook op het domein van de liefde moeten zeggen “voor wat, hoort wat”. Is liefde dat maar? Is liefde m.a.w. een veredelde vorm van ruilhandel? Zijn we niet in staat lief te hebben zonder dat iets tegenover staat? Een interessante vraag. De Bijbel leert me dat Gods liefde onvoorwaardelijk is, m.a.w. daar geldt niet: “voor wat hoort wat”. Misschien is dat wel de echte liefde.

Als dat de echte liefde is, dan is elke relatie tussen God en mens een liefdesrelatie. Het is bijzonder pijnlijk als in zo’n liefdesrelatie de vraag van het einde van de parabel opduikt: ben je jaloers omdat ik goed ben? In de oude vertaling: zijt ge kwaad omdat ik goed ben?  Is men kwaad of jaloers uit angst of uit wantrouwen, of is het een vorm van liefhebben? Elke tijd heeft zo zijn voorbeelden van individuele mensen maar ook van groepen die zich God toe-eigenen. Af en toe denkt de mens te mogen beweren dat God mensen uitsluit, terwijl Jezus ons vertelt dat God iedereen in Zijn liefde wil insluiten. Die liefde is misschien het loon dat de arbeiders ontvangen. De parabel vertelt dus dat iemand die een ganse dag in Gods wijngaard gewerkt heeft even veel loon krijgt als iemand die maar een uur gewerkt heeft. Misschien ging de parabel over joden en over nieuwe christenen die pas het geloof ontdekt hebben, maar het kan even goed vandaag toegepast worden. Iemand die op latere leeftijd het geschenk van het geloof ontdekt is voor God even veel waard als iemand die als gans zijn leven probeert gelovig te zijn. Het kan ook niet anders: je kan niet voor een kwart liefhebben of voor de helft. Je hebt lief of niet. Wel, God wil de mens liefhebben, dat is de kracht maar soms ook de zwakte van de Bijbelse God.

Wie gans zijn leven probeert gelovig te leven, moet echter niet jaloers zijn op mensen die net de schoonheid van het evangelie ontdekt hebben, integendeel. Ten eerste is Gods liefde groot genoeg voor iedereen. Ten tweede: wie al gans zijn leven probeert gelovig te leven, mag ook al een gans leven genieten van Gods liefde. Jaloezie is dus niet op zijn plaats, als er een gevoel zou moeten meespelen, dan zou het medelijden moeten zijn. Medelijden, weliswaar niet neerbuigend bedoeld, als meevoelen met de ander. Natuurlijk, de vraag blijft: moet een gans leven inzet voor de kerk en medemensen even veel beloond worden als iemand die zich een uurtje inzet? Wie zo denkt, ziet geloof enkel als inzet, het lijkt alsof het geloof ons niets aanbiedt. Wel, voor mij is mijn geloof een bron van vreugde en geluk. Vanuit die vreugde en dat geluk kan ik mij inzetten, soms zelfs met enthousiasme, voor anderen. Is het geen vorm van liefde, van naastenliefde om datgene wat je gelukkig maakt te delen met anderen? Zijn we niet geroepen de Blijde Boodschap te verkondigen? Ik denk het wel, en als iemand die Blijde Boodschap dan aanvaardt, dan moeten we toch niet jaloers zijn dat God die even graag ziet als ons, integendeel, we moeten blij zijn, want daar was het ons en God toch uiteindelijk om te doen?